De moderne tijd

Schalkhaar (Riele)


Molen "De Hoop"gezien vanaf Frieswijk/Mensinksdijkje,
links het oude gemeentehuis (1900-heden), in de familie bekend als "Rielerhof".



Molen "De Hoop" gezien vanuit Deventer vanaf de Oerdijk



Schalkhaar, hoek Pastoorsdijk/Mensinksdijkje
Molen de Hoop (1836-1945) en boerderij (1850-1963).
Geboortehuis J.A. te Riele (1883 - 2e van rechts, foto ong. 1900)

Schalkhaar is een dorp dat direct binnen de invloedssfeer van de stad Deventer ligt. Hier en daar is de afstand tussen het dorp en de wijken van de stad wel heel erg klein. Toch is Schalkhaar als dorp heel herkenbaar en wordt het van de stad gescheiden door belangrijke 'groene' gebieden. Het gemeentebestuur van Deventer vindt het van groot belang dat Schalkhaar als dorp herkenbaar blijft, en hecht heel sterk aan het waarborgen van het karakter en de identiteit van Schalkhaar. In de oudere tijd was Schalkhaar bekend onder de naam Riele, Rele of heel lang geleden Reloe. Het kerkdorp was vroeger een buurschap vallend onder Colmschate en gemeente Diepenveen.




Deventer


Deventer - Menstraat 11 (1631)
(foto omg.1950)
Geboortehuis H.A. te Riele (1917)


Deventer - Gevelsteen Menstraat 11

Deventer is een van de oudste steden van ons land. Rond 800 wordt voor het eerst melding gemaakt van ‘Daventre’. De naam Deventer is van voor-Germaanse oorsprong. Het is onzeker of hij ter plaatse is ontstaan of van elders stamt. De herkomst van de naam wordt in de bronnen twee maal in verband gebracht met Lebuïnus of Liafwin, wat lieve vriend betekent.
Deze Lebuïnus, de Engelse zendeling, heeft hier het eerste houten kerkje gesticht en wordt algemeen als de stichter van Deventer beschouwd. De naam Deventer zou zijn afgeleid van Davo, een vriend, die met Lebuïnus naar deze streken is meegereisd.
Een andere verklaring luidt dat Deventer zou zijn afgeleid van Daventry, de geboorteplaats van Lebuïnus. Volgens weer een andere overlevering was Davo een Saksische aanvoerder, die hier zijn burcht zou hebben gebouwd.

Bronnen uit de 9de eeuw maken al melding van Daventer Portu; Deventer was dus toen al bekend als havenplaats. De glorietijd van Deventer kwam na 1300, de tijd van de late Middeleeuwen. Deventer was toen inmiddels een stad geworden. Er woonden toen ruim tienduizend mensen en daarmee was Deventer een van de grootste en belangrijkste steden van de noordelijke Nederlanden.
De vestiging van handelaren was van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de nederzetting. Ze bouwden hun woningen aan de rivier, dichtbij de steigers, waaraan hun boten lagen. De Menstraat wordt beschouwd als één van de oudste straten van Deventer als verbastering naar het Engelse "Mainstreet".


Scheldeplein 11-12, Deventer, (1949),
(foto augustus 2004)
Geboortehuis J.A. te Riele (1955)

De lijn loopt naar het westen van het land omdat Jan te Riele bij de Douane ging werken in Rotterdam. Daar in het westen werd in verschillende huizen gewoond.




Rotterdam

De naam Rotterdam ontstaat als rond 1250 een dam wordt gelegd in het riviertje ‘de Rotte’. Bij de dam gaan vissers wonen en na verloop van tijd ontstaat er handel en scheepvaart waardoor ‘Rotterdam’ snel groeit. De eerste havenactiviteiten beginnen met de aanleg van de ‘Oude Haven’ in 1328. Al snel ontdekt men de gunstige ligging van Rotterdam, dat uitgroeit tot een welvarend Oudhollands havenstadje. Rotterdam krijgt definitief stadsrechten in 1340. Rond die tijd telt Rotterdam zo’n 20.000 inwoners. Tevens krijgt de stad toestemming om een kanaal te graven naar de Schie, waardoor het één van de belangrijkere havens van Holland wordt.
In de 17e eeuw is Rotterdam niet alleen een handelsstad, maar voor zeehelden als Piet Heyn, Tromp en Witte de With ook een thuishaven. De ontdekking van de zeeroute naar India geeft de handel en de scheepvaart een enorme groei-impuls en Rotterdam breidt zijn havens en faciliteiten langs de Maas uit.
Halverwege de 19de eeuw besluit men tot het bouwen van een brug naar de zuidelijke rivieroever om de stad uit te kunnen breiden: Rotterdam-Zuid verrijst. In 1857 wonen er 100.000 mensen in de stad. Een decennium later begint men met het graven van een vaargeul als monding van de Rijn en de Maas in de Noordzee (de Nieuwe Waterweg). De geul is diep genoeg voor grote schepen en zo ontstaat het massavervoer.

De wereldcrisis in de jaren dertig treft ook Rotterdam, maar het Duitse bombardement op 14 mei 1940 schaadt de stad nog het meest: de gehele binnenstad wordt verwoest. Alleen het stadhuis, het postkantoor, het Witte Huis, het Schielandhuis en de Laurenskerk blijven overeind staan.
Na de oorlog wordt in hoog tempo begonnen met de wederopbouw: een nieuwe binnenstad verrijst en er wordt gewerkt aan herstel en uitbreiding van de havens, die een belangrijke rol gaan spelen in de aanvoer van grondstoffen en goederen voor de economische wederopbouw van geheel Europa.
De haven- en industriegebieden Botlek en Europoort worden aangelegd aan de westkant van de stad. In 1962 wordt Rotterdam de grootste overslaghaven ter wereld. De Lijnbaan is het eerste winkelcentrum in zijn soort en wordt het prototype voor verscheidene gelijksoortige winkelcentra in Europa en Amerika. In 1968 bereikt de stad haar hoogste bevolkingsaantal in de geschiedenis: 731.564 inwoners. Later zijn veel Rotterdammers zich in naburige gemeenten gaan vestigen en om een ‘leegloop’ te voorkomen besluit de gemeente de stad leefbaarder te maken, te renoveren en meer woningen te bouwen.
De afgelopen jaren heeft Rotterdam zich ingezet voor het ontwikkelen van nieuwe mogelijkheden voor de bloei van haven en stad: ‘Het Nieuwe Rotterdam’. Voorbeel­den hiervan zijn de Kop van Zuid, de Erasmusbrug en het plan wat er nu ligt om het Centraal Station en omgeving te gaan veranderen.

 

Nog geen foto beschikbaar.

Oldegaarde 968d, Rotterdam (1978 - 1980).




Spijkenisse

Als u vijftig jaar terug zou gaan in de tijd, dan zou u versteld staan van wat Spijkenisse toen was: een arm dorpje met slechts 2.700 inwoners, waarin de tijd stil stond. Spijkenisse is dan ook niet geleidelijk een stad geworden, maar in enkele decennia tot stad gemáákt. De uitbreiding van de Rotterdamse haven en de groeikerntijd bepaalden de toekomst van het dorp. Gedreven door ruimtegebrek liet Rotterdam zijn oog voor nieuwe havenuitbreidingen in 1947 vallen op het eiland De Welplaat, ten noorden van Spijkenisse. Het dorp offerde de landbouwgronden daar maar wat graag op. De nieuwe werkgelegenheid betekende welvaart en woningbouw (de arbeiders moesten nabij hun werkplek wonen) en was dus van harte welkom.

Het eerste naoorlogse nieuwbouwproject was de Molenwei, een buurtje van tachtig woningen in de nabijheid van molen Nooitgedacht. Kort daarop volgden de Oranjebuurt, de Vogelbuurt en de Zeeheldenbuurt, ook wel Verolmebuurt genoemd omdat zoveel arbeiders van de gelijknamige scheepswerf zich er vestigden. Eind jaren vijftig nam de industrialisatie in het Botlekgebied een onverwacht hoge vlucht. Dat had gevolgen voor de bouwproductie, die grootschaliger werd. Ten noorden van het dorp verrezen in de jaren zestig dan ook de uitgestrekte wijken Schiekamp en Hoogwerf, herkenbaar aan lange lanen, recht-toe-recht-aan patronen en flink wat hoogbouw. Vervolgens schoten aan de zuidkant de wijken Groenewoud en Sterrenkwartier uit de grond, gebouwd volgens dezelfde inzichten.

Van die stedenbouwkundige zakelijkheid, geënt op de ideeën van de Franse stedenbouwkundige Le Corbusier, was begin jaren zeventig niets meer over. Het was de tijd van individu, kleinschaligheid en menselijke maat. Dat uitte zich in steeds meer eengezinswoningen, veel groen en speelse patronen. Het meest kwam dat tot uitdrukking in de woonerven in de wijk Waterland. Toen het effect van de industrialisatie op de groei van Spijkenisse nog maar net was uitgewerkt, werd de stad in de jaren zeventig, op last van het rijk, één van de groeikernen die de uittocht uit de grote steden naar het platteland moesten opvangen.

Daar hing een moeilijke taak aan vast. Tussen 1978 en 1990 moest Spijkenisse 14.300 woningen bouwen. In een enorm tempo realiseerde de gemeente de wijken De Hoek, Groenewoud-Noord, De Akkers, Vriesland, Vogelenzang en Schenkel. Bovendien kreeg de stad de voorzieningen waar zij recht op had, zoals een theater, een flink winkelcentrum, een grote bibliotheek, een ziekenhuis en natuurlijk de metro naar Rotterdam. Naarmate de tijd verstreek, stapten de stedenbouwkundigen steeds meer af van de kleinschaligheid die Waterland zo kenmerkte.

De structuren werden strakker en duidelijker, een ontwikkeling die uitmondde in de moderne stadswijk Schenkel. Na de groeikernperiode volgden nog de wijken Vierambachten (ook Rietvelden genoemd) en Maaswijk. Beide wijken kenmerken zich, nog meer dan Schenkel, door een strakke vormgeving, markante gebouwen op herkenbare plekken en overzichtelijkheid.

Inmiddels richt Spijkenisse, dat sinds 1966 met buurdorp Hekelingen één gemeente vormt, zich niet meer alleen op groei, maar vooral op de verbetering van wat er is. De stad moet completer en fraaier worden, met meer voorzieningen, meer uitgaansmogelijkheden, een gevarieerdere woningvoorraad, een betere bereikbaarheid, meer lokale werkgelegenheid en een gezelliger stadscentrum. Talrijke plannen, waarvan het Centrumplan veruit het grootste is, voorzien daarin. Alles moet in de jaren tot 2010 tot stand komen. Een aantal plannen is al gerealiseerd, of een flink stuk onderweg, zoals de grote herstructurering van de flatstrook Groenewoud, in de jaren tachtig een onveilige buurt met veel werkloosheid en armoede.


Neptunusstraat 32c, Spijkenisse (1980 - 1983)
geboortehuis J.A. te Riele (1982)

Nog geen foto beschikbaar.

Torellistraat 23, Spijkenisse (1983 - 1991)

Nog geen foto beschikbaar.

Torellistraat 17, Spijkenisse (1991- 1996)


Else van der Banstraat 93, Spijkenisse (1996 - 2011)

 




Schiedam

Foto volgt

(2012 - heden)

Schiedam is gelegen tussen Rotterdam en Vlaardingen, oorspronkelijk aan de Schie en later ook aan de Nieuwe Maas. Per 1 februari 2012 had de gemeente 76.256 inwoners (bron: CBS). De stad is vooral bekend om haar jenever, de historische binnenstad met grachten, en de hoogste windmolens ter wereld.

Schiedam ontstond op dezelfde wijze als later de grote buur Rotterdam: nabij de monding van de Schie werd rond waarschijnlijk 1230 door de Heer van Wassenaar en/of Heer Dirk Bokel van ambacht Mathenesse een dam aangelegd om het polderland te beschermen tegen het zeewater. In 1247 kreeg Aleid van Holland bij haar huwelijk met Jan van Avesnes het oostelijke deel van de dam (en het poldertje) als bruidsgeschenk. Deze dam trok handelsactiviteit aan, omdat goederen voor het achterland (Delft, en verderop Leiden en Haarlem) hier dienden te worden overgeslagen. Het plaatsje kreeg al snel stadsrechten: deze werden in 1275 verleend door vrouwe Aleid van Holland (Aleida van Avesnes), de zuster van graaf Willem II van Holland. Zij had hier een kasteel laten bouwen, het "Huis te Riviere". Restanten van een donjon, die deel uitmaakte van dit kasteel, zijn heden ten dage nog altijd te zien in het centrum van Schiedam, naast het Schiedamse stadskantoor aan de Broersvest.

Als jonge nederzetting kreeg Schiedam al spoedig concurrentie: in 1340 mochten Rotterdam en Delft een verbinding aanleggen tussen de Schie en de Maas. Vanaf de vijftiende eeuw bloeide de devotie op rond de Heilige Liduina, die in Schiedam leefde. De stad kreeg vervolgens betekenis door de haringvisserij. In 1428 vond in Schiedam een grote stadsbrand plaats.

Hoe in en rond Schiedam de zeemansvrouwen in de zeventiende eeuw thuis het gezin draaiend hielden, staat uitvoerig en zeer levendig beschreven in het proefschrift van Annette de Wit[1].

De achttiende eeuw was Schiedams Gouden Eeuw: de stilgevallen drankimport uit Frankrijk maakte de opkomst van de Schiedamse jeneverstokerij mogelijk. Vanuit tientallen branderijen en distilleerderijen werd Schiedamse jenever over de hele wereld geëxporteerd. De jeneverindustrie gaf Schiedam de bijnaam 'Zwart Nazareth'. De bedrijfstak is inmiddels grotendeels verdwenen. Echter de vijf korenmolens De Noord, Walvisch, Drie Koornbloemen, Nieuwe Palmboom en Vrijheid, de hoogste molens ter wereld - omdat zij boven de hoge pakhuizen uit moesten steken - en een groot aantal voormalige branderijen herinneren nog aan de branderstijd. In één van deze branderijen, gevestigd aan de historische Lange Haven is het Jenevermuseum gevestigd.

Ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan in 1975 werd de Geschiedenis van Schiedam uitgebracht, geschreven door drs. G. van der Feijst, de toenmalige gemeentearchivaris. Hierin werd de geschiedenis van Schiedam vanaf de wording tot 1795 beschreven[2].

In 1941 werd de gemeente Kethel en Spaland geannexeerd, waardoor er ruimte was voor grootschalige woningbouw ten noorden van Schiedam. Hier liggen nu de wijken Tuindorp Kethel, Groenoord, Woudhoek en Spaland.

In de twintigste eeuw bloeide in Schiedam de scheepsbouw (onder andere Wilton-Fijenoord) op, maar deze bedrijfstak is grotendeels verdwenen. Schiedam is nu vooral een forensengemeente. Daarnaast heeft Schiedam zich in de afgelopen jaren meer en meer ontwikkeld als toeristische trekpleister. De historische binnenstad met de hieronder beschreven bezienswaardigheden leent zich daar toe. In 2005 is er een nieuwe molen bijgekomen (De Nolet) die met zijn 41,82 meter de hoogste ter wereld is. De Nolet is in 2006 in gebruik genomen. In 2009 is gestart met de herbouw van de windmolen De Kameel recht tegenover het Proveniershuis. Op 14 mei 2011 is deze op de landelijke Molendag in gebruik genomen.

Op 4 mei 1976 vond bij Schiedam een ernstig treinongeluk plaats met 24 doden en 15 gewonden toen een stoptrein (sprinter) botste tegen een internationale trein.

In 2000 kwam de stad in het nieuws door de Schiedammer parkmoord, een misdrijf in het Beatrixpark waarvoor een onterecht veroordeelde vier jaar lang in de cel zat.

In 2006 is het geheel vernieuwde Stedelijk Museum geopend. De discussie over vestigen van een nieuw glasmuseum zijn na de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 weer opgelaaid. Het museum had al enige tijd een tijdelijke onderkomen. Plannen voor een definitieve locatie vonden geen voortgang. Cees van Olst, de glaskunstenaar die een belangrijke inbreng zou hebben in het nieuwe museum vertrok daarop met zijn collectie en atelier naar Glasmuseum Veenhuizen.

X
Loading